Vinkjescultuur

Ruim veertig jaar geleden werd in het bedrijfsleven de eerste internationale norm voor kwaliteitsmanagement geïntroduceerd. Met een ISO 9001-certificaat kan worden aangetoond dat een organisatie in staat is om te voldoen aan de eisen van klant. Het zegt echter nog niet veel over de kwaliteit van het eindproduct. Bij de inwerkingtreding van de interne markt voor de Europese Economische Ruimte op 1 januari 1993 nam de internationale handel toe en ontstond behoefte aan productcertificatie. Vrij verkeer van goederen is immers alleen mogelijk als voor alle lidstaten dezelfde kwaliteitseisen gelden. Het controlesysteem is simpel: met één document verklaart een CE-gecertificeerde fabrikant dat de bouwstof voldoet aan alle relevante eisen met betrekking tot prestatie, veiligheid, gezondheid en milieu. Deze eenvoud wordt helaas in toenemende mate ondergraven door opdrachtgevers die aanvullende wensen hebben op het gebied van bewijslast.

Het productieproces van de CE-gecertificeerde fabrikant is beoordeeld door een zogenoemde aangemelde instantie (Notified Body of NoBo). Deze NoBo’s zijn onafhankelijk en aangesteld door CEN, de standaardiseringsorganisatie van de EU. Een belangrijk onderdeel van certificering is de beoordeling van het FabrieksProductieBeheersingssysteem (Factory Production Control of FPC). Daarin zijn alle stappen van het fabricageproces alsmede tussen- en eindcontroles beschreven. De FPC omvat verder onder meer de specificatie en verificatie van grondstoffen en bestanddelen. Dat betekent dat ook van toeleveranciers een aantoonbare en nauw omschreven kwaliteit wordt gevraagd. Opdrachtgevers die op dit gebied extra eisen stellen, hebben de CE-certificering niet goed begrepen. Zie het artikel ‘Shoppen in normen’.

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland vermeldt onder het kopje ‘Verantwoordelijkheden ondernemers’ op zijn website het volgende: ‘Met CE-markering verklaart de fabrikant onder eigen verantwoordelijkheid dat zijn product voldoet aan alle essentiële eisen van de toepasselijke EU-richtlijn(en). Hiertoe moet een fabrikant een conformiteitsbeoordeling uitvoeren, een technisch dossier samenstellen, een EG- of EU-conformiteitsverklaring opstellen, zo nodig gebruiksaanwijzingen meeleveren en de CE-markering aanbrengen op zijn product.’ Door ondertekening van de conformiteitsverklaring, neemt de fabrikant de volledige verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor het product. Het technisch dossier blijft in principe bewaard in het archief van de fabrikant. Het kan in voorkomende gevallen worden teruggevonden aan de hand van het unieke serienummer dat zowel op het product als op de prestatieverklaring is terug te vinden.

In toenemende mate worden wij als vertegenwoordiger van de maakindustrie geconfronteerd met de vraag om kwaliteitsdossiers aan te leveren. Vaak gaat het om documenten die toch al zijn opgeslagen in het bovengenoemde technisch dossier. Soms gaat het echter zover dat bewijs wordt geëist van extra controles. Zaken die volgens het goedgekeurde FPC helemaal niet (hoeven te) worden gedocumenteerd. In feite betekent het vooraf, zonder aanleiding, moeten aandragen van bewijsstukken dat wordt getwijfeld aan de vakbekwaamheid van de producent en zijn medewerkers. Anders gezegd: het door CEN opgetuigde systeem wordt niet vertrouwd. Eerder zagen we dit al bij gewapend rubber brugopleggingen. Zie dit artikel.

Verpleegkundigen en onderwijzers zijn al lang ontevreden met de toenemende administratieve taken en regels. Ze kozen ooit voor hun vak omdat zij zorg of onderwijs willen geven. Niet om allerlei overbodige tests af te nemen en controlelijsten in te vullen. Een beroepskracht wil beoordeeld worden op zijn of haar vakmanschap. Het bevredigen van de administratieve behoefte van managers hoort daar niet toe en mag geen hoofdtaak zijn. Hetzelfde geldt voor uitvoerend technici. Zij willen niet de klerk uithangen maar met hun handen een mooi product maken.

Lang leek de bouwsector gevrijwaard te blijven van de vinkjescultuur. Helaas is nu ook hier de procesmanager ten tonele verschenen. Onze productiechefs zijn inmiddels meer op kantoor te vinden dan in de werkplaats waar ze hun medewerkers zouden moeten begeleiden. Uit vacatureteksten blijkt dat een ‘procesmanager bouw’ niet per se verstand van het vakgebied hoeft te hebben. Het is hooguit een pre. Het gaat immers om bewaking van het proces. Daarbij wordt de fout gemaakt dat vakmanschap en beroepseer niet vervangen kunnen worden door controlelijstjes. Vinkjes zeggen niets over kwaliteit.  

Vertrouwen in CE-markering?

Zowel in Nederland als in België bestaat weinig vertrouwen in de kwaliteit van gewapend rubber opleggingen. De introductie van de Verordening Bouwproducten (CPR) in 2013 heeft daar geen verandering in gebracht. In Nederland vraagt Rijkswaterstaat om testresultaten van de fabriek, in België beproeft men extra te leveren opleggingen zelf. De keuringen zijn kostbaar in verhouding en staan niet in verhouding tot de prijs van het product. Het is de vraag waar het wantrouwen vandaan komt en of dit nog terecht is. Om opleggingen met de verplichte CE-markering te mogen leveren, moet de interne kwaliteitsborging immers zijn goedgekeurd door de Europese Unie. Het systeem is juist opgezet met het doel om nationale keuringen te vervangen. Als opdrachtnemer wordt u echter geconfronteerd met de al dan niet terechte wensen van uw opdrachtgever. In dit artikel wordt beschreven waarmee rekening dient te worden gehouden.

Fabrikanten van gewapend rubber opleggingen – in Vlaanderen spreekt men van “oplegtoestellen van gefretteerd rubber” – Certificatehebben veel geld en tijd besteed aan het verkrijgen van certificaten die aantonen dat zij producten met CE-markering mogen leveren. Bij een attesteringsniveau 1 (regelmatige controle door externe partij) bestaat een extra prikkel om de kwaliteitsbewaking op orde te hebben. De periodieke beproeving van halffabricaten en eindproducten resulteert in een constante kwaliteit. In het delicate proces van de productie van gewapend rubber opleggingen kan een verandering van eigenschappen van een ingrediënt immers gevolgen hebben voor de kwaliteit van het eindproduct. Als er maar wat aan gerommeld zou worden, dan heeft de fabrikant een grote kans zijn certificaat te verliezen.

In Nederland haakt Rijkswaterstaat in op het systeem van CE-markering. De in RTD 1012 geëiste rapportage betreft hoofdzakelijk beproevingen volgens de geharmoniseerde testmethoden uit norm EN 1337-3. Deze proeven worden al door de fabrikant zelf gedaan volgens een genormeerd schema. Rijkswaterstaat vraagt echter expliciet om testresultaten van de te leveren partij opleggingen. Dat kost tijd en geld. Bij de ozontest, die normaliter één maal per jaar wordt gedaan, is de specialistische, regelmatig geijkte, apparatuur benodigd van een extern laboratorium. Voor het maken van het gewenste RTD 1012 dossier moet enkele weken worden opgeteld bij de normale productietijd.

CEBelgië lijkt geen enkel vertrouwen te hebben in CE-markering. Meestal wordt voorgeschreven dat extra opleggingen moeten worden geleverd voor destructieve beproeving. Soms mogen die extra opleggingen vooraf worden aangevoerd, soms wil de opdrachtgever zelf de te keuren opleggingen kiezen uit de hele partij. Kennelijk is de gedachte dat de fabrieken A- en B-kwaliteiten kunnen leveren! Onze fabrikant SNAC werkt hier niet meer aan mee. In het verleden zijn hele partijen opleggingen onterecht afgekeurd. Pas na enige maanden bleek dat de beproeving of monstername niet volgens de geharmoniseerde testmethode was gebeurd. Indien gewenst kan wel worden gegarandeerd dat zowel de testexemplaren als de opleggingen die worden toegepast in het bouwwerk uit dezelfde partij rubber worden vervaardigd. De proeven dienen dan vlot te worden uitgevoerd. Een rubbermengsel kan maximaal twee maanden bewaard worden.

Alleen de resultaten van proeven volgens de genormeerde testmethoden worden geaccepteerd. Van belang daarbij is dat ook de monstername op de juiste wijze gebeurd. Aandachtspunten zijn:

  • Hardheid. Dit is geen essentieel kenmerk! Sinds 2005 geldt de afschuifstijfheid of G-modulus (0,9 ± 0,15 MPa) als maat voor de vervormbaarheid. De afschuiftest wordt beschreven in Annex F van de norm. Een hardheidsmeting kan – mits goed uitgevoerd! – alleen nog worden gebruikt om een indruk te krijgen van de homogeniteit van de oplegging.
  • Norm NBN T 31-002:1976 is  per 7 december 2017 vervallen.
  • Norm NBN T 32-001:1980 is per 10-10-2010 vervallen en vervangen door EN 1337-3
  • Tear-strengthMinimale trekweerstand. In bestekken van Infrabel staat dat proefstukken dienen te worden genomen uit een afgewerkte oplegging. Dat is niet conform de norm. Het maken van een proefstuk is een kunst apart. We leveren ze desgewenst graag mee.

Dwarskrachtdeuvels

In constructies van gewapend beton worden dilatatievoegen toegepast zodat het gebouw kan krimpen en uitzetten. De voegen maken deze bewegingen mogelijk en voorkomen daarmee scheurvorming. Dwarskrachtdeuvels zijn een prima en voordelige oplossing om de juiste overbrenging van dwarskrachten te garanderen. Ze zorgen voor ontwerpflexibiliteit, zijn eenvoudig en veilig te monteren en bieden vaak economisch interessante oplossingen ten opzichte van traditionele bouwmethoden. In dit artikel wordt nader ingegaan op de mogelijkheden en voordelen van het gebruik van dwarskrachtdeuvels.

Traditionele methoden bij het maken van dilatatievoegen tussen vloerplaten zijn dubbele pijlers, vloerplaten met tand-en-groef en draagconsoles. Ten opzichte van het gebruik van structurele verbindingselementen zijn de klassieke oplossingen relatief duur en ze kosten ruimte.

traditionele_vs_deuvelverbindingBij het gebruik van dwarskrachtdeuvels worden dubbele pijlers of wanden overbodig en komt ruimte vrij. Met name in parkeergarages, winkelcentra en kantoren telt iedere bruikbare vierkante meter. Als oplegconsoles worden vervangen door een deuvelconstructie, kan de hoogte van verdiepingen worden beperkt. Dit resulteert in een lagere gebouwhoogte of extra verdiepingen bij een gelijke afmeting. De hoogte van het plenum, de ruimte boven een systeemplafond, kan worden beperkt en het leidingwerk hoeft geen onnodige bochten te maken. Ook moet bedacht worden dat consoles het gebruik van standaardbekisting beperken en het bekisten arbeidsintensief is en dus duur. Een organisatorisch voordeel is de vrijheid in keuze van de stortvolgorde.

deuvelset_compleetDe meest toegepaste uitvoering van een dwarskrachtdeuvel bestaat uit een enkele massief stalen pen en een glijhuls. Deze elementen kunnen worden geleverd met bijbehorende versterkingswapening die zorg draagt voor de overdracht van krachten op het gewapend beton. Bij vloeren en platen van geringe dikte wordt alleen gebruik gemaakt van pen en huls. Als een bestaand element moet worden verbonden met een nieuw te maken bouwdeel, dan worden pennen zonder wapening in boorgaten van het bestaande element geplaatst. Bij een deuvelconstructie in wanden met een geringe dikte vervalt de wapening aan de hulszijde.

deuvelset-ovale-glijhulsDe pen of doorn is in verschillende afmetingen leverbaar in thermisch verzinkt en in corrosievast staal. De bijbehorende glijhulzen zijn leverbaar in kunststof en corrosievast staal. Een glijbuis is rond of ovaal. De ovale vorm biedt ruimte voor een beperkte zijdelingse beweging en wordt toegepast bij kruisende voegen of dilatatievoegen die in een Z- of U-vorm lopen.

Doornen van Geoconnect® dwarskrachtdeuvels zijn voorzien van een markering waarmee de juiste wapeningsdekking kan wordt bepaald. Aan de hand van de kleur van de markering kan de diameter van de deuvel worden herkend. Om verwarring te dwarskrachtdeuvels-in-betonvoorkomen bij gemengde leveringen, worden de kunststof glijhulzen gemaakt in dezelfde kleur als de kleurmarkering op de pen. Bij de roestvrije glijhulzen wordt dit opgelost met een gekleurd etiket. Alle Geoconnect deuvels zijn inzetbaar bij voegen met een breedte tot 60 mm.

Na plaatsing kan geen onderhoud kan worden uitgevoerd aan de deuvels. Dwarskrachtdeuvels moeten dus goed bestand zijn tegen roestvorming. Aan de hand van de milieuklasse dient een keuze gemaakt te worden tussen thermisch verzinkt of corrosievast staal (EN 1.4462 volgens EN 10088-3). Voor de twee uitvoeringen zijn aparte tabellen beschikbaar voor afschuifsterkte en ponsweerstand.

Tot juli 2013 bestond geen specifieke Europese regelgeving voor het gebruik van dwarskrachtdeuvels in dilatatievoegen. Door fabrikanten werden specifieke proeven gedaan of nationale certificaten overgelegd die niet in alle Europese landen juridisch geldig waren. De voorschrijver kreeg zo onvoldoende informatie om de levensvatbaarheid van CEhet project te verzekeren. Met de goedkeuring van de ETAG 030-richtlijn voor deuvels voor structurele verbindingen (Guideline for European Technical Approval of Dowels for Structural Joints) in april 2013 werd dit probleem opgelost. Steel for Bricks was de eerste die haar Geoconnect® dwarskrachtdeuvels mocht leveren met een CE-markering (ETA 16/0064).

Voor uitgebreide informatie zie de Geoconnect® fabrieksdocumentatie.

Voegovergangsconstructies

Een voegovergangsconstructie vormt een flexibele schakel tussen de weg en het rijdek van een kunstwerk of tussen de rijdekken van twee delen van een kunstwerk. Ze biedt bescherming aan de onderliggende constructie. De voegovergang dient onder alle omstandigheden langdurig een veilige en comfortabele passage van het verkeer mogelijk te maken. De afgelopen decennia zijn verschillende oplossingen bedacht die aan deze algemene eisen voldoen.

Onze fabrikant Schreiber Brücken Dehntechnik (SBD) produceert sinds 1964 stalen voegovergangsconstructies. In totaal gaat het om zo’n twee tot drieduizend meter per jaar. Daarnaast worden mattenvoegen op maat gemaakt. Dit artikel geeft een overzicht van de verschillende typen voegovergangen die door SBD geleverd kunnen worden.

mkmAlle in Nederland toegepaste voegovergangsconstructies zijn te vinden in de “Meerkeuzematrix Voegovergangen” (MKM) van Rijkswaterstaat (RTD 1007-1). Op de website van het Platvorm Voegovergangen en Opleggingen vinden we een digitale versie van het document. In de MKM wordt een onderscheid gemaakt in zeven “families” (concepten) van voegovergangen. Elk van de types wordt beoordeeld op functioneren en kwaliteit. Functies zijn bewegingsvrijheid, mechanische weerstand, gebruiksvriendelijkheid en waterdichtheid. De kwaliteit is in de praktijk beproefd aan de hand van betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoud en veiligheid. RTD 1007-1 is, aldus het voorwoord in de uitgave, geen norm maar biedt een handreiking voor het kiezen van een geschikt concept in een objectgerichte situatie.

Voor voegovergangsconstructies bestaat geen norm, maar sinds 2013 wel een ETA leidraad. Voegovergangen met een Europese Technische Goedkeuring (ETAG 032) worden geleverd met CE-keur. In Standaardbestek 260 versie 2.0 (januari 2018) van de Vlaamse overheid worden “brugdekvoegen” volgens ETAG 032 voorgeschreven. In Nederland is vaak goedkeuring nodig conform de RTD 1007-serie.

Enkelvoudige constructies met klauwprofielen behoren tot MKM familie 1 (nosing joints). Variant 1.2a1 betreft “in constructie verankerde stalen randprofielen met ingeklemde voegprofielen zonder overgangsbalken zonder geluidreducerende voorzieningen”. Variant 1.2.a2 heeft geluidreducerende voorzieningen. Dit zijn afdekplaten (sinusplaten) die op de klauwprofielen worden gemonteerd. spSBD levert de enkelvoudige constructies onder de naam SP (Schreiber Profil). Het Schreiber Profil betreft in wezen alleen het klauwprofiel waarin het rubberen afdichtingsprofiel wordt geklemd. Deze klauw is de kern van de constructie. De verankering wordt afgestemd op de wensen. Gaat het om nieuwbouw of renovatie? Ligt de voeg haaks of onder een hoek op het wegdek?

De nieuwbouwversie van de SP voegovergangsconstructies is voorzien van een kantopsluiting. Deze voorkomt afbrokkeling van de voegwanden maar maakt het profiel ook stijf. PVO stelt in het Handboek Voegovergangen § 5.1.5.2 dat deze “Duitse variant” zonder meer beter is dan een profiel zonder kantopsluiting. De verwachte levensduur volgens de MKM bedraagt veertig jaar. Voor onderdelen (lees: het rubberen afdichtingsprofiel) geldt tien jaar. In de ETAG-beoordeling wordt uitgegaan van een levensduur van vijftig jaar en 25 jaar voor het rubber. Zowel de “gewone” SP (zonder geluidreducerende platen) als de uitvoering met sinusplaten  (type SP/FP) hebben een ETA-certificaat.

vingervoegVingervoegen vallen onder MKM familie 2. SBD produceert al vele jaren de zogenoemde uitkragende vingervoegen volgens concept 2.1. Deze worden gekenmerkt door uitkragende tanden of vingers die de verkeersbelasting dragen. De laatste jaren is meer vraag naar deze uiterst betrouwbare voegconstructie.

Gewapend rubber mattenvoegen volgens MKM concept 3.1 zijn rubber elementen die intern gewapend zijn met staalstrips. mattenvoegZe worden in verschillende maten geproduceerd door moedermaatschappij Vicoda en door SBD op de markt gebracht.

De zogenoemde Rollverschluss voegovergangen (sleepplaatvoegen) lijken geen MKM-indeling te hebben, lamellenvoegen horen tot familie 7 en zijn in het verleden wel gemaakt maar de productie is vooralsnog opgeschort.

Bij opdracht wordt altijd eerst een ontwerp gemaakt. Pas na goedkeuring van de tekeningen wordt de productie gestart. SBD heeft monteurs in dienst die desgewenst zorg kunnen dragen voor een perfecte inbouw.

Appels en peren

Producten vergelijken is niet altijd makkelijk. Fabrikanten geven in hun documentatie soms prachtige waarden op voor essentiële eigenschappen van hun bouwstoffen. Hoe hoger of lager, hoe beter! Maar is de verstrekte informatie vergelijkbaar met die van andere producenten? En zijn die opgeven getallen ook relevant voor de toepassing in uw project? Appels&PerenAls voor een bouwstof nog geen CE-markering geldt, moeten de gedeclareerde waarden kritisch bekeken worden. Hoe zijn deze vastgesteld? Werden de testresultaten verkregen met dezelfde genormeerde proef? Wat was het uitgangspunt van de beproeving? In dit artikel wordt met twee voorbeelden ingegaan op de vergelijking van oplegmaterialen die worden toegepast in de B&U-sector.

Glijopleggingen worden ingezet als de uitzetting en krimp van een bouwdeel de maximale elastische vervorming van een lijn- of puntoplegging te boven gaat. Een veel gebruikt product is onze ESZ Fosta. FostaDeze bestaat uit een gewapend rubber kern met PTFE (teflon) en een aparte (kunststof) glijplaat. Fosta is een zogenaamde “droge” glijoplegging. Droog in de betekenis van “niet gesmeerd”. De opgegeven wrijvingscoëfficiënt μ ≤ 0,10 is een rekenwaarde. Bij een gebruikelijke druk en temperaturen boven het vriespunt ligt de wrijvingscoëfficiënt rond de 0,075. Zie het artikel “Laat glijopleggingen niet glippen”.

Een collega-concurrent brengt een vergelijkbaar product op de markt met een gedeclareerde wrijvingscoëfficiënt van 0,018. Dat is zelfs flink lager dan die van een gesmeerde oplegging! Nader onderzoek leert dat het product is getest over een glijweg van 4,2 meter bij onbekende temperatuur. Fosta is beproefd volgens norm EN 1337 voor brugopleggingen. Annex D van deel 2 schrijft een glijweg voor van 110 meter bij nauw omschreven temperaturen. Deze 110 meter is een goede benadering van de werkelijke glijweg gedurende de levensduur van een oplegging. Vier meter is dat zeker niet. Los van een te mooie voorstelling van zaken, wordt een constructeur op het verkeerde been gezet.

Bij thermische ontkoppeling wordt een speciale oplegging ingezet ter voorkoming van koudebruggen. Het betreft een materiaal dat een compromis biedt van een redelijke warmteweerstand Sepatherm(circa 1/10 van gangbare thermische isolatiematerialen) bij een minimale indrukking onder reële belasting. Onze ESZ Sepatherm kan een gemiddelde druk van 30 N/mm² en piekbelastingen van 65 N/mm² opnemen. Let wel: dit zijn gebruiksbelastingen.

In de documentatie van een vergelijkbaar fabricaat vinden we dat de ene variant 70 en de andere 250 N/mm² ontwerpbelasting kan opnemen. Als we dit corrigeren met gangbare veiligheidscoëfficiënten zijn het nog altijd mooie cijfers. Maar wat is de indrukking onder deze belasting? En benut u het product ook tot dit maximum?

Een rekenvoorbeeld: een plaatje van 240×260 mm heeft vier sparingen Ø 33 mm ten behoeve van boutverbindingen. Een bout M30 kwaliteit 10.9 kan maximaal 404 kN opnemen. Met vier bouten wordt dus maximaal 1.616 kN uitgeoefend. Op bovenstaand plaatje bedraagt de gemiddelde oplegdruk dan 27,4 N/mm². De indrukking van 20 mm dik Sepatherm bedraagt dan ca. 0,6 mm ofwel 3% van de oorspronkelijke dikte. U kunt dat hier narekenen.

Toekomst: Alhoewel de titel “Opleggingen voor bouwkundige en civieltechnische toepassingen” doet vermoeden dat de norm ook voor CE-300pxB&U-opleggingen van toepassing is, worden zelden producten geleverd die volgens de EN-1337 zijn geproduceerd. Net als voor de invoering van de Europese Richtlijn Bouwproducten (CPR) in 2012 wordt nog steeds EPDM- of SBR-rubber en ook bouwvilt toegepast. Met succes! Deze materialen passen niet in de EN 1337 en derhalve kan geen CE-markering worden afgegeven.

CE-markering houdt in dat het product voldoet aan de CPR. De richtlijn zorgt dat bouwstoffen in Europa op dezelfde manier worden getest en beoordeeld. Vooralsnog ziet het er niet naar uit dat CE-markering van toepassing wordt voor B&U-oplegmaterialen. Oplettendheid bij productvergelijkingen blijft geboden!

Montage van stalen brugopleggingen

De montage van brugopleggingen vereist de nodige aandacht en voorbereiding. Met name de hoofdzakelijk uit staal gemaakte types als de verankerde gewapend  elastomeer(glij)oplegging, al dan niet voorzien van geleidingen en vasthoud-constructies,  de potoplegging en de bolsegmentoplegging vragen de nodige zorgvuldigheid bij de installatie. In deel  11 van de geldende Europese norm       EN 1337 wordt, naast transport en opslag, ook de montage behandeld. De normtekst beperkt zich echter tot een handige lijst van controlepunten. De daadwerkelijke plaatsing komt aan op het vakmanschap van de monteurs. In dit artikel wordt in kort bestek de montage van stalen brugopleggingen in een betonnen kunstwerk behandeld.

V1lIn het artikel ‘Stalen brugopleggingen, van bestelling tot levering’ wordt het proces beschreven van ontwerp tot bezorging op de bouwplaats. Hier werd uitgegaan van een project van Rijkswaterstaat. Daarvoor geldt naast de EN 1337 de RTD 1012. Ook bij de installatie van de opleggingen  is een aantal eisen uit dit technisch document van belang. Zo dient de “Montage van de opleggingen te worden uitgevoerd onder toezicht van de fabrikant of een door hem aangewezen persoon. Van deze montage dient per oplegging een document te worden overlegd waarin de leverancier (…) verklaart dat de oplegging volgens zijn voorschriften en aanwijzingen is gemonteerd.” Verder schrijft de RTD een aan de hand van proefopstellingen gekwalificeerde ondersabeling voor. Ook worden eisen gesteld ten aanzien van de nauwkeurigheid van plaatsing.

Een koevoet en enkele kleine stukken hoekijzer zijn handig bij het aanbrengen op de juiste plaats. De oplegging wordt vervolgens exact en waterpas afgesteld op bijgeleverde stelschroeven. waterpasBij het stellen gebruikt men naast de nodige sleutels specialistische gereedschappen zoals een twee-assige waterpas, een telescopische meterset, een schuifmaat en een set voelermaatjes van minstens 150 mm lengte. Ook een zaklantaarn en een verlichte spiegel komen van pas. Omdat soms niet voorkomen kan worden dat de kwetsbare corrosiewering beschadigt, dienen de nodige materialen en gereedschappen voor herstel aanwezig te zijn.

Als de oplegging eenmaal juist gepositioneerd is, kan hij ondersabeld worden. Voor ongewapende mortel geldt een hoogte van 20 tot 50 mm. De ondersabeling kan worden gedaan door middel van onderstoppen met bijvoorbeeld Pagel V14 of MC-DUR 3500A. Bij opleggingen van flink formaat is onderstoppen geen optie meer en dient te worden gekozen voor ondergieten met Pagel V1 of een gelijkwaardig product.

Voor aanvang van het gietwerk wordt een bekisting aangebracht die aan de onderzijde is voorzien van een goede afdichting. Nuttige gereedschappen zijn een trechter en een passende gladde transparante slang Ø ≥ 30 mm. Voor het ontluchten gebruikt men stalen kettingen die tijdens het ondergietengieten heen en weer getrokken worden. Als de voeg geheel gevuld is, verwijdert men met stalen of aluminium banden de laatste lucht. De banden en kettingen worden na afloop uiteraard verwijderd. Na uitharding van de mortel wordt de druk van de stelschroeven weggenomen.

Een betonnen bovenconstructie wordt doorgaans direct op de oplegging gestort. Daartoe wordt de bekisting zo strak mogelijk rond de oplegging geplaatst. Een goede afdichting moet voorkomen dat cementwater doorlekt. Als de oplegging is voorzien van een grote glijplaat, dan dient deze tijdens de stort en het verdichten op de uiteinden te worden ondersteund. Na voldoende uitharding van het beton, maar voor het aanbrengen van voorspanning moeten de rood of geel gekleurde bouten van de hulpconstructies verwijderd te worden.

Volgens de RTD 1012 moeten de oplegreacties, na het afvijzelen van de brug, voldoen aan de in het contract voorgeschreven waarden en toleranties. Als de afwijkingen niet zijn aangegeven  is ± 5% afwijking aanvaardbaar. De eindhoogte van de brug mag ± 2 mm afwijken van de ontwerpuitgangspunten.

Een uitgebreide montagehandleiding is beschikbaar in het Engels en het Duits.

Stalen brugopleggingen, van bestelling tot levering

Gecompliceerde brugopleggingen als de verankerde en gefixeerde elastomeeroplegging, de piston (potoplegging) en de bolsegmentoplegging kunnen niet van de ene op de ander dag worden geleverd. Voor ontwerp en productie moeten enkele maanden worden uitgetrokken. Sinds de introductie van de EN 1337 “Opleggingen voor bouwkundige en civieltechnische toepassingen” is de communicatie tussen klant en de veelal buitenlandse fabrikant wel een stuk eenvoudiger geworden. Met name op het gebied van het ontwerp. De klant stelt de voorwaarden, de fabriek ontwerpt en produceert op basis van de norm. Door de introductie van CE-markering per 1 juli 2013 behoren ook de controles van het productieproces tot het verleden. In de norm is zelfs het transport, de opslag en de montage vastgelegd. Uiteraard zijn er nog wel enige aandachtspunten. In dit artikel wordt het proces van ontwerp tot levering en opslag beschreven.

PotopleggingDe hoofdzakelijk stalen opleggingen komen doorgaans alleen voor bij  grote kunstwerken. Rijkswaterstaat is in Nederland de grootste opdrachtgever van de bouw van viaducten en bruggen van enig formaat. In dit artikel gaan we daarom gemakshalve uit van een project van de nationale overheid. Hiervoor geldt de RTD 1012. Dit technisch document wordt in samenhang gebruikt  met de EN 1337. In de RTD 1012 zijn onder meer de aanvullende ontwerpeisen (ten opzichte van de EN 1337) vermeld voor de diverse typen opleggingen.

De fabrikant van de opleggingen is in eerste instantie geïnteresseerd in de maatgevende belastingen en vervormingen per steunpunt. Hierop kan een eerste ontwerp en dus een prijs worden gemaakt. In bijlage A van de RTD 1012 zijn de belastingcombinaties gedefinieerd waarop de op te geven waarden dienen te worden gebaseerd. Ook van belang is de gewenste corrosiewering. De norm geeft op dit gebied een hoop vrijheid en de fabrieksstandaard hoeft niet gelijk te zijn aan de eisen van de opdrachtgever.

Nadat opdracht is verstrekt maakt de fabrikant een ontwerp op basis van de uitgangspunten die eenduidig zijn gecommuniceerd. De fabrikant is hiervoor verantwoordelijk. Waar voorheen gebruik werd gemaakt van nationale rekenregels gelden nu de Eurocodes. Dit vergemakkelijkt een eventuele communicatie aanzienlijk. De eerste productietekeningen met daarop de uitgangspunten worden vervolgens ter controle voorgelegd aan de opdrachtgever. Met name de aansluiting op de boven- en onderbouw is hier van belang. Passen de verankeringen goed in het wapeningsplan? Verder dient gecontroleerd te worden op de mogelijkheden van eenvoudige inspectie, onderhoud en vervanging. Na eventuele aanpassingen van de tekeningen volgt op zeker moment een akkoord en kan de productie worden ingepland. Voor gewapend rubber opleggingen met geleidings- en vasthoudconstructies geldt een levertijd van circa twee maanden. De productie van pot- en bolsegmentopleggingen duurt nog een paar weken langer.

TransportTransport en opslag  van de opleggingen is vastgelegd in deel 11 van de Europese norm. Het belangrijkste punt is dat de planparallelliteit van boven- en onderconstructie alsook de voorinstelling gewaarborgd blijft totdat de oplegging volledig is bevestigd aan de boven- en onderbouw. De producent maakt daarvoor gebruik van hulpconstructies.

In voorbije jaren hadden Rijkswaterstaat en de Vlaamse overheid eigen controleurs die de fabriek bezochten om afnamekeuringen uit te voeren. Met de CE-markering is de controle op essentiële kenmerken overbodig geworden. De fabriek heeft een uitgebreid eigen kwaliteitsbewakingssysteem en de productie wordt een aantal maal per jaar gecontroleerd door een aangemelde instantie. Indien een opdrachtgever toch zelf de kwaliteit wil (laten) beproeven, dan vindt zo’n afnamekeuring om praktische redenen plaats in de fabriek.

Direct bij aflevering dienen de opleggingen door de klant nog wel gecontroleerd te worden op onder meer:

  • Uiterlijke schade met name aan de corrosiewering
  • De positie van de transportvergrendeling
  • De juistheid van de eventuele voorinstelling
  • De markeringen op de boven- en onderkant
  • De juistheid van de informatie op de genormeerde typeplaten

TypeschildEventuele afwijkingen dienen onmiddellijk te worden gemeld aan de leverancier. De opleggingen moeten vervolgens  op de voorgeschreven wijze worden opgeslagen tot het moment van montage. In een later artikel zal de montage van de stalen brugopleggingen worden behandeld.

Brugopleggingen en CE-markering

Sinds 1 juli 2013 is het verplicht om bouwproducten te voorzien van een CE-markering. Tevens geldt de verplichting om bij de CE-markering een prestatieverklaring mee te leveren. Deze prestatieverklaring – ook wel Declaration of Performance of DoP genoemd – moet worden opgesteld op basis van de technische specificaties. Dit is bepaald in de Europese Verordening bouwproducten nr. 305/2011/EU, CPR. Het gaat alleen om bouwproducten die onder een Europees geharmoniseerde productnorm vallen en waarvan de overgangsperiode (de zogenoemde co-existentieperiode) verstreken is. Voor brugopleggingen is er zo’n norm: de EN 1337. Deze bestaat uit elf delen en was één van de eerste geharmoniseerde normen. Het document is van kracht geworden op 1 januari 2006. De overgangsperiode verliep een jaar later, op 1 januari 2007. Wat is nu de waarde van de CE-markering voor brugopleggingen?

De Europese norm EN 1337 ‘Opleggingen voor bouwkundige en civieltechnische toepassingen’ werd in 2005 gepubliceerd.  Het project had ruim vijftien jaar in beslag genomen. Zestig experts uit  Europese landen, verenigd in de Technische Commissie CEN TC 167, droegen bij aan de totstandkoming. CEN is het Europese normcomité belast met de uitgifte van de Europese normen die worden toegepast in alle CEN- lidstaten. Dit zijn alle lidstaten van de Europese unie en geassocieerde landen als Zwitserland  en Noorwegen.

Niet elke EN-norm is geharmoniseerd. Van een geharmoniseerde norm is pas sprake als de lidstaten overeenstemming hebben bereikt over de inhoud. De norm wordt dan gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Commissie. Geharmoniseerde Europese normen hebben betrekking op  bepaalde producten. De toepassing is verplicht in alle lidstaten. Brugopleggingen die geproduceerd worden volgens de geharmoniseerde normen, dienen te worden voorzien van een CE-markering. Dit houdt  meer in dan een eenvoudige conformiteitsverklaring en is ook van groter belang dan ISO 9001.

Om de CE-markering op de opleggingen te mogen aanbrengen, dient de werkwijze van een fabrikant te worden goedgekeurd door een aangemelde instantie (Notified Body of NoBo). Deze aangemelde instanties zijn onafhankelijke organisaties zoals door CEN aangestelde laboratoria. Alvorens goedkeuring te verlenen, wordt het FabrieksProductieBeheersings-systeem (Factory Production Control of FPC) van de fabrikant beoordeeld. Tevens worden in de norm beschreven proeven uitgevoerd op opleggingen van verschillend formaat.

De FPC-certificering betreft een permanente interne controle van de productie door de fabrikant. De fabrikant is verantwoordelijk voor de organisatie van de daadwerkelijke uitvoering van de FPC, maar staat, in geval van attesteringsniveau 1, onder de supervisie van de aangemelde instantie. Deze voert ook regelmatig inspecties uit.

De FPC omvat de volgende activiteiten:

  • de specificatie en verificatie van grondstoffen en bestanddelen;
  • de controles en routineproeven die tijdens de fabricage dienen te worden verricht in een frequentie die is vastgelegd in de EN 1337;
  • de controles en proeven op eindproducten volgens een schema dat eveneens is vastgelegd in de norm.

De CE-markering geeft aan dat de producten zijn vervaardigd en getest op essentiële kenmerken in overeenstemming met de desbetreffende delen van de EN 1337. Deze essentiële kenmerken van een product zijn vermeld in annex ZA  van geharmoniseerde Europese productnormen. De relevante delen van de EN 1337 hebben elk een eigen Annex ZA.

Volgens de CEN-regels kan een opdrachtgever geen aanvullende tests of controles verlangen om de conformiteit te controleren. Indien nodig kunnen wel hogere of extra eisen worden gesteld aan het bouwproduct. Om deze specifieke en nauw omschreven kwaliteiten te controleren kunnen extra beproevingen worden verlangd.  Hogere eisen zullen in het algemeen niet nodig zijn voor brugopleggingen. In Europa bestaan weliswaar grote verschillen in klimaat, maar daar is in de Europese norm EN 1337 rekening mee gehouden. Opleggingen die voldoen in landen met lagere temperaturen zoals Noorwegen of meer UV-belasting (bijvoorbeeld Griekenland) voldoen immers ook in Nederland of België.