Oplegjargon

Op tekeningen en in bestekken van bouwkundige projecten worden termen als ‘oplegvilt’, ’neopreen’ en ‘glijfolie’ gebruikt om aan te duiden dat een oplegging moet worden toegepast. ‘Oplegvilt’ staat doorgaans voor ‘oplegmateriaal’. ‘Neopreen’ betekent meestal dat het om rubber gaat en met ‘glijfolie’ wordt bedoeld dat de oplegging een verplaatsing van het opgelegde bouwdeel moet kunnen opnemen.

Soms is aan de hand van de toepassing te achterhalen wat de bedoeling is, maar vaak ook niet. Gaat het simpelweg om egalisatiemateriaal of worden ook zwaardere eisen gesteld aan de oplegging zoals hoge belastingen en regelmatig terugkerende vervormingen? Vragen waar de aannemer vaak geen antwoord op heeft. Bij voorkeur ontvangen we een overzicht van de eisen, maar het gebruik van de juiste benamingen zou enorm helpen. In dit artikel wordt uitleg gegeven over termen in het vakgebied oplegtechniek.

Elastomeer is een polymeer met rubberachtige eigenschappen. Het wordt samengesteld uit tien tot twintig ingrediënten. De keuze van het soort (synthetisch) rubber en de vulkanisatiemethode zijn bepalend voor de materiaaleigenschappen. Het recept van het mengsel beïnvloedt de kwaliteit.

De maximale belasting van elastomeer kan oplopen tot zo’n 25 N/mm² maar is wel afhankelijk van de dikte/breedteverhouding. Hoe kleiner en hoe dikker het oplegmateriaal, hoe groter de indrukking. Het betreft hier een vrijwel elastische indrukking. Deze eigenschap maakt elastomeer uitermate geschikt voor het opnemen van wisselende belastingen en vervormingen.

GR40Gewapend rubber: een ‘Big Mac’ van lagen elastomeer en stalen wapeningsplaten. In België spreekt men van “gefretteerd rubber” en “inrijgplaten”. Een wat verouderde variant is textielgewapend rubber. De wapening is bedoeld om de indrukking van het oplegmateriaal te beperken. Staalgewapend rubber wordt hoofdzakelijk gebruikt in brugopleggingen. In kunstwerken heeft men dikke blokken nodig om vervormingen op te vangen. Bij B&U-projecten kan doorgaans worden volstaan met opleggingen tot 20 mm. De kwaliteit van de moderne ongewapende oplegrubbers maakt wapening dan veelal overbodig.

Glijfolie: lijnoplegging met een kern van twee lagen gladde folie waartussen een vet is aangebracht op basis van minerale olie. Glijfolie kan aan één of twee zijden worden voorzien van een drukverdelende en egaliserende laag. Glijfolies hebben een lage wrijvingscoëfficiënt maar kunnen nauwelijks hoekverdraaiingen opnemen.

GlijopleggingenGlijoplegging: Meestal wordt gewapend rubber met een PTFE glijlaag en losse glijplaat bedoeld. De ongewapende gelimiteerde lijn-glijoplegging valt echter ook onder deze noemer. Glijopleggingen hebben een lage wrijvingscoëfficiënt en kunnen wisselende hoekverdraaiingen aan.

Glijvilt is haarvilt dat door middel van een teflon- of grafietcoating glad wordt gemaakt. Het materiaal wordt meestal toegepast in combinatie met een glijplaat. De wrijvingscoëfficiënt is hoger dan die van glijfolie of een glijoplegging. Net als gewoon bouwvilt is glijvilt niet geschikt voor de opname van variërende hoekverdraaiingen.

Neopreen: Handelsnaam van DuPont™ voor polychloropreenrubber (CR). Met name in Vlaanderen is ‘neopreen’ het synoniem voor alles wat zwart en enigszins elastisch is. Neopreen of chloropreen is net als EPDM of SBR beslist geen kwaliteitsaanduiding. Kwaliteit is afhankelijk van de receptuur. Meer daarover in het artikel ‘Neopreen als toverwoord, kwaliteit van elastomeer‘.

Oplegvilt of bouwvilt:  Oplegmateriaal gemaakt van vezels. Vroeger was dit altijd haar van rundvee, tegenwoordig zijn ook synthetische alternatieven op de markt. Hoe meer vezels per volume, hoe hoger de maximale belasting. Afhankelijk van deze zogenoemde areïeke massa bedraagt de maximale drukspanning 1 tot 5 N/mm². De blijvende indrukking is soms wel 50% van de oorspronkelijke dikte. Vilt is daarom alleen geschikt voor toepassing in constructies waar nauwelijks horizontale verplaatsingen en variaties in hoekverdraaiingen voorkomen.

Rubber In feite de naamgevende component van elastomeer, maar ook gebruikt als synoniem. Er bestaat maar één natuurrubber en wel veertig synthetische rubbers.

Staalvilt Met was- of vetmengsel geïmpregneerd vilt. Door impregnatie wordt de draagkracht verhoogd. Staalvilt vervormt net als bouwvilt voornamelijk plastisch en kan dus geen wisselende vervormingen opnemen.

Tien tips bij de keuze van oplegmateriaal

De afgelopen twee jaar publiceerde ik acht artikelen over oplegmaterialen voor de burgerlijke en utiliteitsbouw, de B&U sector. Dit materiaal wordt gebruikt in het constructieve skelet van een bouwwerk. Hier werkt men in het algemeen met starre bouwstoffen als beton en staal. Enige uitleg over de eigenschappen van vervormbare materialen is dan vaak hoogst noodzakelijk. Soms gaat het alleen maar om de juiste term. Zolang nog gesproken wordt  over ‘vilt’, als ‘oplegmateriaal’ wordt bedoeld en over ‘neopreen’ als synoniem voor alle zwarte buigzame bouwstoffen, is er nog een hoop uit te leggen.

Hieronder heb ik de belangrijkste aanbevelingen van alle vorige artikelen op een rijtje gezet. Bij elke tip zit een koppeling naar het oorspronkelijke verhaal.

  1. Vilt is alleen geschikt voor toepassing in constructies waar nauwelijks variaties in hoekverdraaiingen en horizontale verplaatsingen voorkomen. Bij constructies met wisselende belastingen dient een rubber oplegmateriaal te worden toegepast. Vormveranderingen van rubber zijn elastisch. Dat betekent dat het materiaal, na het wegnemen van de belasting, vrijwel volledig terugkeert in de oorspronkelijke vorm. Vilt daarentegen vervormt hoofdzakelijk plastisch. Dat betekent dat vormveranderingen blijvend zijn. Zie: Lijnopleggingen: vilt of rubber?
  2. Glijfolie kan niet worden toepast als er sprake is van relevante hoekverdraaiingen. Glijvilt wel, zolang de doorbuiging van de ligger maar eenmalig is. Type GLSNeem bij variërende hoekverdraaiingen een ongewapend rubber glijopleggingen (de zogenoemde gelimiteerde glijoplegging). Zie: Glijvilt of glijfolie?
  3. Kies voor een (goede kwaliteit) glijfolie of een ongewapende rubber glijoplegging als een te grote horizontale belasting op de constructie bezwaarlijk is. De wrijvingscoëfficiënt is lager dan die van glijvilt. Zie: Glijvilt of glijfolie?
  4. Bij het bepalen van de afmetingen van glijfolie dient te worden uitgegaan van de maximale glijbeweging. Het contactvlak is dan immers het kleinst. Voor de dimensionering van rubber glijopleggingen gebruikt u de tabellen van uw leverancier. Zie: Puntglijopleggingen: welk type?
  5. Bij lage oplegdrukken (< 3 N/mm²), in het bijzonder in combinatie met lage temperaturen (< – 20°C), dient de glijplaat aan het betonelement te worden bevestigd met een geschikte bouwlijm. Bij staalbouw moet zowel de rubber kern als de glijplaat gezekerd worden tegen verschuiven. Zie: Laat glijopleggingen niet glippen.
  6. Kies voor kwaliteit. Het vervangen van een oplegging is nooit eenvoudig. Van een oplegmateriaal met een ‘Algemeines Bauaufsichtliches Prüfzeugnis’ mag worden aangenomen dat de te verwachten levensduur tenminste gelijk is aan die van het bouwwerk waarin ze worden toegepast. Zie: Levensduur van een rubber oplegging.
  7. oppervlaktewijzigingPas op met de opgegeven maximale gemiddelde druk van een oplegmateriaal. Deze is niet van toepassing voor alle afmetingen. Hoe kleiner en/of hoe dikker de oplegging, hoe geringer deze belast kan worden. Zie: Vormfactor, beperking van de oplegdruk.
  8. B&U-opleggingen worden berekend met de methode uit DIN 4141 deel 14 uit 1984. Deze is nog van kracht tot december 2016. Fabrikanten en importeurs hanteren deze norm ook voor hun tabellen en rekenprogramma’s. Een Nederlandse norm bestaat niet. De EN 1337-3:2005 ‘Opleggingen voor bouwkundige en civieltechnische toepassingen’ wordt in de burgerlijke en utiliteitsbouw niet of nauwelijks gebruikt. De voornaamste reden is dat de norm niet van toepassing is op oplegmaterialen die zich al jaren hebben bewezen in de B&U-sector. Zie: Welke norm voor opleggingen?
  9. Vraag ons gratis beschikbare rekenprogramma aan. Hiermee kan snel het meest voordelige type uit het programma van ESZ worden bepaald. Gerekend kan worden met op de millimeter nauwkeurige maten en exacte hoekverdraaiingen. Wij maken de berekening ook graag voor u. De gegevens die u nodig heeft staan in Puntopleggingen: welke kwaliteit en afmetingen?
  10. Stuur een tekening mee bij het bestellen van opleggingen. Zeker als er sparingen gemaakt moeten worden, is het verstandig om aan te geven waar deze moeten komen. Zie: Puntopleggingen: welke kwaliteit en afmetingen?

Gewapend rubber brugopleggingen

De meest toegepaste brugoplegging op dit moment is gemaakt van gewapend rubber. In deze oplegging zijn laagjes elastomeer – natuurrubber of chloropreen  –  onderling gescheiden door plaatjes staal. Het geheel wordt omhuld door een dunne laag chloropreen. Deze zorgt voor een optimale bescherming tegen atmosferische invloeden. Door vulkanisatie van de ‘Big Mac’ wordt een hechte verbinding verkregen tussen staal en rubber. Het wapeningsstaal heeft als functie om de horizontale spanningen in het elastomeer, als gevolg van belastingen en hoekverdraaiingen,  te beperken.
Alhoewel de geldende Europese norm 1337 deel 3 (2005) de laagopbouw en de afmetingen vrij laat, wordt wel een overzicht gegeven van aanbevolen maten. Verder  maakt de norm onderscheid tussen een aantal typen. In dit artikel wordt een en ander toegelicht.

Gewapend rubber opleggingen zijn in principe rechthoekig of rond. In bijzondere gevallen worden ovale of achthoekige vormen toegestaan. De laagdikte van het rubber tussen de staalplaten dient minimaal vijf en maximaal 25 mm te bedragen. De beschermende omhullingslaag op het boven- en ondervlak heeft een afwijkende dikte van doorgaans 2,5 mm. Lagen van drie mm of dunner  worden niet geacht bij te dragen aan de opname van vervormingen. In een oplegging mag slechts één laagdikte werkend rubber worden toegepast.
Type B met matenIn de norm is een tabel opgenomen met aanbevolen afmetingen van oplegging type B. De maten van typen C tot en met E kunnen hiervan worden afgeleid. In de tabel zijn de rubberlagen minimaal acht en maximaal twintig mm dik. De dikte van de stalen wapeningsplaatjes is daarop afgestemd en bedraagt drie, vier of vijf mm. Hoe groter het oplegoppervlak, hoe dikker de lagen rubber en staal. De tabel geeft verder aan uit hoeveel lagen een oplegging minimaal en maximaal mag bestaan bij een bepaald oppervlak.

De norm maakt onderscheid tussen een aantal typen:
Type AType A is een met één laag wapeningsstaal uitgeruste oplegging. Het rubber neemt de vervormingen op en dient gelijktijdig als corrosiebescherming van de staalplaat.

Type BType B is gewapend met tenminste twee staalplaten. De aanbevolen afmetingen en opbouw zijn opgenomen in een tabel. De oplegging kan hoekverdraaiingen en planparallelle vervormingen, als gevolg van lengteverandering van het oplegde deel, opnemen. Hoe hoger de oplegging, hoe groter de mogelijke vervormingen. Te hoge opleggingen (ten opzichte van lengte en breedte) zijn echter instabiel.

Type CType C onderscheidt zich van type B door dikke, al dan niet geprofileerde, staalplaten aan de boven- en onderzijde van de oplegging. Afhankelijk van het formaat van de kern zijn deze platen tenminste 15 of 18 mm dik. Ze dienen voor de bevestiging aan het op te leggen deel en aan het steunpunt. Dit type oplegging wordt toegepast bij combinaties van geringe oplegdrukken en hoge horizontale belastingen. Met name bij staalconstructies valt de keuze snel op een type C omdat de wrijvingsweerstand rubber/staal lager is dan die van rubber/beton.

Een tussenvorm is type B/C. Dit is aan één zijde een type B en aan de andere kant een type C. Type B/C wordt bijvoorbeeld toegepast bij de oplegging van een stalen ligger op een betonnen kolom.

Type DType D is een glijoplegging waarbij een laag PTFE (polytetrafluorethyleen of teflon) middels vulkanisatie is verbonden aan het rubber blok. Type D is in principe alleen bedoeld voor eenmalige translaties. meer daarover in het artikel “Glijopleggingen typ D of E”.

Type EType E is eveneens een glijoplegging. Hier is de laag teflon ingelaten in een dikke staalplaat.

Indien horizontale bewegingen op bepaalde oplegpunten niet gewenst zijn, dan worden vasthoudconstructies toegepast rond de rubber oplegging. Er bestaan constructies voor alzijdige en voor eenzijdige verplaatsingen. In een vaste oplegging worden alle horizontaalkrachten opgevangen, maar kan de oplegging nog wel hoekverdraaiingen opnemen.  Bij grote translaties wordt de vasthoudconstructie, en niet de oplegging, voorzien van teflon en glijplaat.

Brugopleggingen

In het productenoverzicht van Arcas wordt een onderscheid gemaakt in brugopleggingen en andere opleggingsmaterialen. Hoewel de functie van beide bouwstoffen gelijk is, zijn er grote verschillen. Alle oplegmaterialen zijn bedoeld om translaties en rotaties mogelijk te maken en krachten over te brengen. De belastingen op brugopleggingen zijn over het algemeen echter hoger. Ook de verplaatsingen van het opgelegde bouwdeel ten opzichte van de ondersteuning zijn veelal groter.  Brugopleggingen staan meer dan B&U-opleggingen bloot aan de elementen.  Dit alles heeft geleid tot een andere vormgeving. Voor brugopleggingen bestaat een Europese norm, voor andere oplegmaterialen niet.

In het verleden werden brugopleggingen hoofdzakelijk gemaakt van staal. Moderne varianten hebben een elastische kern van rubber (elastomeer). In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de brugopleggingen die worden toegepast in nieuwe kunstwerken en de soorten die nog kunnen worden aangetroffen in oudere bruggen en viaducten.

Gewapend rubber opleggingenGewapendRubber
Een gewapend rubber oplegging wordt opgebouwd uit laagjes rubber – natuurrubber of chloropreen  – die onderling gescheiden zijn door plaatjes staal. Het geheel wordt omhuld door een dunne laag chloropreen, die zorgt voor een optimale bescherming tegen weersinvloeden. Door vulkanisatie wordt een hechte verbinding verkregen tussen staal en rubber. Het wapeningsstaal heeft als functie om de vervorming van het rubber als gevolg van belastingen en hoekverdraaiingen binnen de perken te houden. Voor de komst van de Europese norm 1337  in 2005 werd een maximale belasting van 15 N/mm² aangehouden voor dit type oplegging. De genormeerde rekenmethode die nu wordt gehanteerd, gaat uit van een maximale toelaatbare vervorming als gevolg van optredende belastingen, translaties en rotaties.

vasthoudconstructieOm de oplegging aan het steunpunt en/of het opgelegde bouwdeel te kunnen bevestigen, worden ook varianten gemaakt waarbij een dikkere, niet omhulde, staalplaat aan onder- en/of bovenzijde is opgenomen. Dit zogenoemde type C wordt bijvoorbeeld toegepast bij combinaties van geringe oplegdrukken en hoge horizontale belastingen.

De uitzetting en krimp van een kunstwerk is vaak groter dan een gewapend rubber oplegging kan opnemen. Ook kunnen horizontale krachten te groot zijn. In deze gevallen wordt dan een staalconstructie  rond de rubber oplegging gebouwd. Bij grote translaties wordt deze voorzien van teflon en glijplaat. Er bestaan constructies ten behoeve van een alzijdige en van een eenzijdige verplaatsing. Bij een vaste  oplegging worden alle horizontaalkrachten opgevangen, maar kan de oplegging nog wel hoekverdraaiingen opnemen.

potopleggingPiston- of potopleggingen
De potoplegging bestaat, zoals de naam al aangeeft, uit een cilindrische pot met daarin een nauwsluitende zuiger of piston. In de pot bevindt zich een rubber kussen dat tot op zekere hoogte wordt verondersteld te werken als een vloeistof. Het rubber in de potoplegging kan worden belast tot een maximum van ongeveer 35 N/mm².
Een vaste potoplegging als hierboven omschreven kan verticale belastingen en hoekverdraaiingen opnemen. Voor de verwerking van translaties worden varianten gemaakt  met een op de zuiger glijdende deksel . De combinatie van teflon (PTFE) en een gepolijste roestvast stalen glijplaat draagt dan zorg voor een minimale wrijvingsweerstand. Afhankelijk van de eisen kunnen geleidingsconstructies worden aangebracht om verplaatsingen alleen in de gewenste richting mogelijk te maken.

bolsegmentopleggingBolsegment-  of sferische opleggingen
Een bolvormig bovenzadel rust in een onderzadel met een holle vorm. Door toepassing van teflon en smeermiddelen op het glijvlak kan dit type oplegging met geringe wrijvingsweerstand hoekverdraaiingen opnemen. De maximale belasting op het glijvlak bedraagt ca. 45 N/mm².

Als de kom diep genoeg is, kan de oplegging horizontaalkrachten opnemen. De bolsegmentoplegging kan, net als de potoplegging, worden voorzien van glijelementen en geleidingen.

taatsopleggingTaatsopleggingen
Taats betekent pen of as. Onderscheid wordt gemaakt in lijn- en puntopleggingen. Ook taatsopleggingen kunnen worden voorzien van geleidingen en glijvoorzieningen. Deze opleggingen zijn zeer stijf in verticale richting. Anno 2013 worden ze nauwelijks meer toegepast.

rolopleggingRolopleggingen
Er bestaan varianten met één of meerdere rollen. Eventuele interne of externe geleidingen zorgen dat de rol in het juiste spoor blijft. Rolopleggingen worden in de moderne bruggenbouw niet meer gebruikt.

Aandachtspunten bij de diverse opleggingen zijn gegeven in het document ‘Brugopleggingen’ van Leendertz en Van de Ven. Voor nadere informatie over ontwerp, fabricage en montage van brugopleggingen zie het rapport ‘Eisen voor brugopleggingen’ van Leendertz.

In februari 2017 waren beide documenten niet meer te vinden op het internet. De werkgroep ‘Opleggingen’ van PVO bracht in het eerste kwartaal van 2017 het Handboek Opleggingen uit met de meest actuele stand van zaken.

Laat glijopleggingen niet glippen

De meest gebruikte glijoplegging is het type dat bestaat uit een rubber kern met PTFE glijlaag en een aparte glijplaat. Dit soort opleggingen wordt zowel in constructies van beton als in stalen bouwwerken gebruikt. De kern is gemaakt van elastomeer dat is gewapend met dunne staalplaatjes of lagen textiel. De wapening maakt de kern stijf. Hierdoor blijft de PTFE (teflon) glijlaag in alle gevallen parallel aan de glijplaat. De wrijvingscoëfficiënt van dit type glijoplegging is onder gangbare omstandigheden kleiner dan 0,10. Dit betekent dat een horizontaalkracht van maximaal 10% van de verticale belasting nodig is om het opgelegde bouwdeel in beweging te krijgen. Anders gezegd: de horizontale reactiekracht op de aangrenzende bouwdelen is minder dan een tiende van de verticale belasting bij uitzetting of krimp van het opgelegde bouwdeel.
Meestal vindt de verschuiving plaats zoals gewenst. Dat wil zeggen dat glijplaat en kern ten opzichte van elkaar bewegen. Er zijn echter omstandigheden waarin kern of glijplaat zelf kunnen verschuiven ten opzichte van het aangrenzende bouwdeel. Welke omstandigheden zijn dat? Hoe kan worden voorkomen dat oplegging of glijplaat aan de haal gaan?

Gangbare glijopleggingen met losse glijplaat zijn belastbaar tot 15 N/mm², zogenoemde high pressure uitvoeringen kunnen een druk van 25 N/mm² aan. Gewapend rubber glijopleggingen zijn prima in staat om doorbuiging van het opgelegde element op te nemen. Afhankelijk van dikte en breedte zijn hoekverdraaiingen tot 20 ‰ mogelijk. De glijplaat wordt doorgaans gemaakt van kunststof. Het duurdere alternatief is gepolijst corrosiewerend staal dat beter dan kunststof bestand is tegen mechanische bevestiging.

De wrijvingscoëfficiënt van een glijoplegging is een constante. De wrijving tussen materialen wordt behalve door de conditie van het contactvlak bepaald door een aantal fysische wetmatigheden:

  • Bij een lage temperatuur is de wrijvingscoëfficiënt hoger;
  • Hoe lager de gemiddelde druk, des te hoger de wrijvingscoëfficiënt;
  • Door toenemende slijtage van de contactvlakken stijgt de wrijvingscoëfficiënt;
  • Hoge aanloopwrijving door plastische vervorming van de contactvlakken bij bewegingsonderbrekingen.

Wrijvingsweerstand Fosta glijopleggingen bij verschillende temperaturen

Met deze materiaaleigenschappen wordt, overeenkomstig norm (NEN/NBN) EN 1337-2 2004, bijlage D, in het testprogramma voor opleggingen rekening gehouden. Omdat er geen (genormeerde) eisen bestaan voor glijopleggingen ten behoeve van de B&U-sector, worden de door Arcas geleverde Fosta-glijopleggingen van ESZ getest volgens de hiervoor genoemde norm voor brugopleggingen. Dat betekent dat het testprogramma bij het MPA in Stuttgart wordt uitgevoerd onder de volgende omstandigheden:

  • Temperaturen: -35, -20, -10, 0, 21 en 35 °C;
  • Gemiddelde druk: 1, 5, 10, 15, (25) N/mm²;
  • Totale schuifweg: 110 meter;
  • Bewegingsonderbrekingen: 1 uur tussen de testperioden.

Betonbouw
In principe is de statische wrijving van de contactvlakken in de betonbouw voldoende om de oplegging op zijn plaats te houden. Bij lage oplegdrukken (< 3 N/mm²) echter, in het bijzonder in combinatie met lage temperaturen (< -20°C), dient de glijplaat aan het betonelement te worden bevestigd met een geschikte bouwlijm.

Staalbouw
Een stalen contactvlak heeft een lage statische wrijving. Zowel de elastomeer kern als de glijplaat moeten worden gezekerd tegen verschuiven. Hieronder zijn voorbeelden weergegeven van de mogelijkheden van zekering in de staalbouw.

Fostamontage-staalbouw

Puntglijopleggingen; welk type?

Puntglijopleggingen worden net als vaste puntopleggingen gebruikt op plaatsen waar overspannende bouwdelen op de ondergrond steunen. Voor een glijoplegging wordt gekozen als de te verwachten horizontale bewegingen van het opgelegde bouwdeel groter zijn dan een vaste puntoplegging kan opnemen. Dit is ongeveer 10 mm voor een ongewapende vaste oplegging en het dubbele voor een dik gewapend exemplaar. Hierbij dient u zich te realiseren dat de vaste oplegging weerstand biedt tegen vervorming en een glijoplegging juist een lage wrijvingsweerstand heeft. Bij grotere overspanningen is dus al snel een glijoplegging nodig. Hoe bepaalt u het juiste type? Welke eigenschappen van het oplegmateriaal zijn van belang bij uw keuze?

Op de Nederlandse markt zijn drie typen oplegmaterialen beschikbaar die kunnen worden gebruikt als puntglijoplegging. Dit zijn glijfolie, gewapend rubber met glijlaag en ongewapend rubber.

Glijfolie
Glijfolies bestaan uit dunne lagen van verschillende materialen die met behulp van watervaste tape bijeen worden gehouden. In verband met de beperkte belastbaarheid worden glijfolies doorgaans alleen gebruikt als lijnoplegging. Enkele duurdere typen kunnen echter hogere drukken aan. Glijfolies zijn niet of nauwelijks in staat hoekverdraaiingen opnemen, hetgeen de toepasbaarheid beperkt.
Alle kwalitatief hoogwaardige glijfolies hebben een kern van PTFE (teflon) die aan weerszijde wordt beschermd door een versterkte kunststof laag. Eventuele elastomeer cacheerlagen aan de buitenzijde zijn bedoeld voor drukverdeling en egalisatie. De wrijvingscoëfficiënt van glijfolie is bij een volkomen glad oppervlak kleiner dan 0,10.

Gewapend rubber met PTFE glijlaag en losse glijplaat
Dit type glijoplegging bestaat uit een kern met PTFE glijlaag en een losse glijplaat. De kern is gemaakt van elastomeer dat is gewapend met dunne staalplaatjes of lagen textiel. De wapening verhoogt de stabiliteit van de kern, maar maakt deze ook stijf. De PTFE glijlaag, die een hechte verbinding heeft met het elastomeer, is daarmee beschermd tegen beschadiging door doorbuiging.
Gangbare glijopleggingen met losse glijplaat zijn belastbaar tot 15 N/mm², zogenoemde high pressure uitvoeringen kunnen een druk van 25 N/mm² aan. In tegenstelling tot glijfolies zijn gewapend rubber glijopleggingen goed in staat om doorbuiging van het opgelegde element op te nemen. Afhankelijk van dikte en breedte zijn hoekverdraaiingen tot 20 ‰ mogelijk.
De glijplaat wordt doorgaans gemaakt van kunststof. Het duurdere alternatief is gepolijst corrosiewerend staal dat beter dan kunststof bestand is tegen mechanische bevestiging. De wrijvingscoëfficiënt van dit type oplegging is eveneens kleiner dan 0,10.

Ongewapende rubber glijoplegging
Een zogenoemde gelimiteerde glijoplegging is een plat hol rubber extrusieprofiel dat aan de binnenzijde is voorzien van siliconenvet. De maximale glijweg van deze bouwstof wordt begrensd door de vorm van het profiel en bedraagt ± 25 millimeter. De gelimiteerde glijoplegging wordt geleverd in een dikte van 10 mm en een beperkt aantal breedtematen. Door een aantal stroken naast elkaar te leggen, kunnen grote belastingen worden opgenomen. Afhankelijk van de vorm bedraagt de maximale belastbaarheid 15 N/mm² en de maximale hoekverdraaiing 23 ‰. De wrijvingscoëfficiënt van de gelimiteerde glijopleggingen is 0,03.

Bij het bepalen van de afmetingen van glijfolie dient te worden uitgegaan van een maximale glijbeweging. Het contactvlak is dan immers het kleinst. Voor de dimensionering van rubber opleggingen gebruikt u de tabellen van uw leverancier. Hierin zijn de theorieën van Topaloff verwerkt. Zie voor nadere informatie het artikel ‘puntopleggingen, welke kwaliteit en afmetingen?
Een extra aandachtspunt bij glijopleggingen is de minimale verticale belasting. Indien deze minder is dan 3 N/mm² dan dient de oplegging (en de eventuele glijplaat) te worden gefixeerd. Bij stalen constructies wordt, in verband met het gladde contactvlak, altijd geadviseerd te oplegging te behoeden tegen verschuiven.

Als de maten zijn vastgesteld, is het verstandig een tekening te maken van de glijoplegging en de eventuele glijplaat. In de tekening kunnen ook de eventueel gewenste sparingen en de maten van de verloren bekisting worden vermeld.